Twintig jaar wetgeving, maar kritieke grondstoffen verdwijnen nog steeds uit beeld 

Ondanks twintig jaar aan wetgeving over producentenverantwoordelijkheid verdwijnen jaarlijks duizenden tonnen waardevolle batterijgrondstoffen uit de Europese economie. Alleen al aan lithium verliest Nederland jaarlijks naar schatting 40 miljoen euro aan waarde. Nu het kabinet nieuwe Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheden (UPV’s) introduceert en bestaande wetgeving herziet, waarschuwt de Nederlandse Vereniging Circulaire Economie (NVCE): Laat deze kans niet voorbijgaan om waardevolle grondstoffen in Europa te houden. 

Omdat Europa sterk afhankelijk is van de import van kritieke grondstoffen, is het cruciaal om materialen die al in de economie circuleren te behouden. De UPV wet maakt producenten (waaronder importeurs) verantwoordelijk voor het afvalbeheer van de producten die zij in Nederland in de handel brengen. Het zou daarnaast producenten moeten prikkelen om, al vóórdat zij producten in de handel brengen, circulaire keuzes te maken. Bijvoorbeeld om kwaliteitsproducten te ontwerpen die te repareren zijn. De UPV wet geldt niet alleen voor batterijen maar voor veel meer producten zoals Verpakkingen, elektronica en textiel.  De inzameling van verpakkingen behoort tot de Europese top. De inzameling van elektronica blijft steken op 68% in plaats van de Europese doelstelling van 85%. Van het weggegooide textiel verdwijnt zelfs 55% direct in het restafval. 

Volgens de NVCE toont dit aan dat producentenverantwoordelijkheid alleen werkt wanneer financiële prikkels, inzameling en handhaving goed zijn ingericht. “Het huidige systeem geeft producenten nauwelijks een prikkel om producten langer bruikbaar te maken,” stelt Klaske Kruk, directeur van de NVCE. ” We moeten spullen vaker hergebruiken, repareren en langer laten meegaan. Zo houden we waardevolle grondstoffen binnen Europa.” 

Als voorbeeld noemt de vereniging de batterij-UPV. Hoewel moderne techniek metalen bijna volledig kan herwinnen, lekt het materiaal in de gebruiksfase weg, onder meer omdat consumenten lang niet alle lege batterijen netjes inleveren. In 2025 ging al 2.471 ton lithium verloren door gebrekkige inzameling en export naar niet-OESO-landen. Dat verlies loopt naar verwachting op tot ruim 11.000 ton in 2035. 

Producenten kunnen individueel of gezamenlijk aan de UPV voldoen. Meestal gebeurt dit collectief door een producentenorganisatie. Producenten sluiten zich in dat geval bij die producentenorganisatie aan en betalen er een financiële bijdrage voor. De Nederlandse interpretatie van de Europese UPV-regelgeving richt zich vooral op afvalbeheer, zoals inzameling en recycling, waardoor er weinig ruimte is om UPV-gelden direct in te zetten voor reparatie en hergebruik. Andere landen, zoals Frankrijk en België, gebruiken UPV breder door reparaties te subsidiëren, hergebruikcentra financieel te ondersteunen en producenten sterker te belonen of te bestraffen op basis van de repareerbaarheid van producten. Klaske Kruk: “als je als overheid meer durft te sturen in UPV zoals onze buurlanden dat doen behoud je meer waardevolle grondstoffen voor je economie” 

Om het tij te keren pleit de NVCE voor drie scherpe maatregelen in de nieuwe en herziene UPV-stelsels: 

  1. Circulair investeringsfonds: Zorg ervoor dat elke UPV een investeringsfonds heeft voor circulaire innovatie en opschaling. Deze fondsen maken innovatieprojecten en schaal voor bestaande technologieën mogelijk. Zo kan gedacht worden aan projecten en campagnes die de inzameling verbeteren of het investeringen in de opschaling van het schoonmaken en hergebruiken van producten. 
  1. Doelstellingen voor voorbereiding voor hergebruik: Producentenorganisaties moeten verplicht worden om functionerende producten eerst aan te bieden voor hergebruik en reparatie, in plaats van ze direct te recyclen waardoor kwaliteit van de materialen verslechterd of te verbranden. 
  1. Sterkere regie overheid: De overheid moet een actievere en sturende rol aannemen om de rollen, verantwoordelijkheden en vergoedingen tussen producentenorganisaties (PRO’s) en andere ketenpartners, zoals gemeenten, helder te reguleren. Dit voorkomt (langdurige) frictie over inzameltarieven en zorgt voor een gelijkwaardiger speelveld. Daarnaast moet de overheid sturen op realistische, maar wettelijk verplichte en stapsgewijs oplopende circulaire doelstellingen (zoals de eerder genoemde voorbereiding voor hergebruik) om echte impact te maken en strenger controleren of tariefdifferentiatie wordt toegepast waar mogelijk.